De plaats

BPS22 heeft zijn vaste basis in een oud industrieel pand van bijna 2500mgelegen op de site van de Université du Travail - Paul Pastur. Het fabrieksgebouw opgebouwd uit glas en staal dateert uit 1911 en werd opgetrokken ter gelegenheid van de Industriële en Commerciële expositie in Charleroi om er het paviljoen voor schone kunsten in onder te brengen. Na afloop van de expositie werd het gebouw de thuisbasis van de nieuwe Université du Travail die een dubbele doelstelling had: instaan voor het onderricht van de bevolking en de industrie alle uitvoerende krachten bezorgen die nodig waren, van arbeider tot technisch of scheikundig ingenieur. De site van de Université du Travail illustreert perfect het groeiende profylactische beleid van België in het begin van de 20e eeuw.

De gebouwen (later kreeg het de naam “Bâtiment Provincial Solvay”, afgekort BPW) zijn een ontwerp van de architect Gabriel Devreux. Ze vormen een architecturaal geheel met verschillende historische kenmerken: een neoklassieke betonnen zuilengalerij, als symbool voor een politieke macht die een oude sociale hiërarchie in stand wil houden. Boven de centrale gaanderij is er een gebogen fronton met aan beide zijden een drielicht. De ingrijpendste renovatie in die tijd waren de twee grote glasramen die de gevel vormen van de twee grote halls die door de gaanderij met elkaar worden verbonden. Deze nieuwe materialen (glas en staal, verwijzend naar de industriële rijkdom van de streek) werden gebruikt omwille van hun technische mogelijkheden, hun symbolische uitstraling maar ook met het oog op het globale uitzicht van het gebouw.

De configuratie van de hallen doet denken aan een klassieke basiliek: een centrale beuk met twee zijbeuken. Deze architectuur drukt duidelijk de “verplaatsing van het sacrale” uit, op aangeven van de sociale kunst die zich op het eind van de 19e en bij het begin van de  20e eeuw verspreidde in Wallonië: van de kerk naar de fabriek, met een hele reeks nieuwe martelaars. Tijdens de Industriële en Commerciële Expositie van 1911 werd in de hallen het Paviljoen van schone kunsten ondergebracht (tentoonstelling van Waalse kunst op initiatief van de minister Jules Destrée, volgens zijn “autonomistisch” politiek manifest dat hij begon met de woorden "Sir, er zijn geen Belgen meer "). We kunnen ervan uitgaan dat, gezien de uitgestrektheid van elke vleugel (ongeveer 1000m2), de expositieruimte doorgaans gevuld werd met grote, in die tijd vaak gebruikte doeken waarop de schilderijen werden bevestigd.

De gebouwen die vandaag voor een deel beschermd zijn door het Waalse Gewest, werden vervolgens gebruikt als ateliers in het kader van industrieel onderricht: confectie, metsel- en laswerken, enz. De muren vertonen overigens nog altijd sporen van deze achtereenvolgende bestemmingen. Inmiddels omgedoopt tot BPS22 werd het gebouw in 2000 een museum met nationale en internationale erkenning.

Sinds januari 2014 zijn er uitbreidingswerken aan de gang die BPS22 omvormen tot het kunstmuseum van de Provincie Henegouwen. Na een wedstrijd werden de werken toevertrouwd aan het architectenbureau Archiscénographie Roland, dat reeds de renovaties op zijn palmares heeft staan van het Félicien Rops museum in Namen en van de Slachthuizen in Mons (in samenwerking met Matador).

Voor BPS22 voorziet het renovatieprogramma een immense "white box" van 800m², die volkomen beantwoordt aan de museumkundige normen (Pierre Dupont zaal); er wordt niet geraakt aan het eigenlijke fabriekspand van 1.200 m² dat bijzonder geschikt is voor de experimentele hedendaagse kunstvormen en waarmee BPS22 inmiddels als wordt vereenzelvigd (Grande Halle). Met deze twee grote, compleet verschillende ruimten, kunnen ook twee soorten kunstervaringen worden aangeboden: enerzijds de contextuele ervaring in het licht van de geschiedenis van de site en van het gebouw; anderzijds de steriele, tijdloze en atopische ervaring zoals de modernistische traditie het wil sinds de jaren 60.

Bovendien werd het accent ook gelegd op het diversifiëren van de ruimten. Er werden meerdere kleine zalen (Grenier, Mirador, Project room) gecreëerd die BPS22 de mogelijkheid bieden om kleinschaligere artistieke projecten te ontvangen, ervaringen die “anders” zijn, originele initiatieven of werken die een intiemere context kunnen gebruiken. Er werd ook een podium voorzien met het oog op voorstellingen of opmerkelijke concerten. Tot slot is er een studio voor het verblijf van de kunstenaars die hun producties in situ vorm geven

Bijzondere aandacht ging ook uit naar het onthaal van de bezoekers. Naast de volledig heringerichte inkom waarbij de circulatie in de tentoonstellingszalen herbekeken werd, is het accent nu ook komen te liggen op een van de kernactiviteiten van BPS22, namelijk de kunst- en cultuurbemiddeling, dankzij de inrichting van twee zalen bestemd voor pedagogische activiteiten (Atelier en Labo). Een derde zaal is bestemd voor de activiteiten met de wijkbewoners (Local).